Artikel downloaden

 

Groei en Beweging

 

Pups worden doof en blind geboren, en kunnen bij geboorte hun eigen lichaamswarmte niet regelen. Enkele weken daarna gaan hun ogen en oren open. In de vierde week gaan de pups met elkaar spelen en op een onbeholpen manier achter elkaar aan te rennen. In deze fase kauwen de pups op alles, ze ontdekken de wereld met de bek. Tussen de 5 en 8 weken maakt het ontwikkelende brein meer spel en beweging mogelijk. In deze periode zijn veel bewegingen nog niet doelgericht. De pup zal in zijn verdere leven leren zich steeds economischer te bewegen, dit bouwt zich op tot hij alles goed aankan en zal daarna op hogere leeftijd weer afnemen.

 

Groeien

In de eerste 6 maanden schiet de pup omhoog en wordt ook in rap tempo zwaarder. Allerbelangrijkst is uiteraard dat de pup zindelijk wordt. Na de eerste paar weken zullen de meeste hondeneigenaren wel herkennen dat hun pup een signaal geeft voordat hij binnen iets laat lopen. De hond heeft dan begrepen dat het beter is om buiten te plassen, maar zijn blaas is nog dermate klein dat hij de behoefte niet heel lang kan ophouden. Bij kleinere rassen duurt het vaak langer voordat je meer tijd tussen wandelingetjes kunt inbouwen, omdat de capaciteit van de blaas simpelweg kleiner is. Ook geldt dat teven later zindelijk zijn dan reuen, vaak zijn teven pas echt zindelijk na de eerste loopsheid.Een pup heeft weinig kracht en uithoudings-vermogen, en het is verstandig om in deze periode de pup te stimuleren om ‘handig’ te worden in het gebruiken van zijn lichaam. Zijn zenuwstelsel wordt het beste ontwikkeld met het aanbieden van  verschillende ondergronden. Je kan hierbij denken aan natuurlijke ondergronden zoals zand, gras, takkenbossen, mos, etc. Maar ook door mensen gemaakte ondergronden zoals metalen putdeksels, straatstenen, grind, en houten bruggetjes. Naast het materiaal van de ondergrond zijn er nog andere aspecten, bijvoorbeeld de vorm van het materiaal, of de stenen stoeptegels zijn of kinderkopjes. Ook kan de afmeting uitmaken, een heel smal plankje of bruggetje is anders dan een heel weids strand. Ook ondergronden die een beetje wiebelen zijn fantastisch voor het stimuleren van de balans van de pup. Naarmate de hond groeit kan hij minder makkelijk onder objecten door, maar juist makkelijker over obstakels heen. Het doel van de kennismaking met verschillende ondergronden en objecten, is voor de pup om zijn eigen lichaam te leren kennen. Let hierbij op dat hij dit op zijn eigen tempo doet en neem de tijd als hij het spannend vindt. Bij jonge pups is het fijn om gewoon even te blijven staan of te gaan zitten, en ze 10 minuten rond te laten scharrelen, in plaats van ze over een bepaalde ondergrond mee te lokken om een ‘wandeling’ te maken.


Elke pup heeft een bepaalde mate van onhandigheid, en sommige individuen of rassen zijn handiger dan andere. Als een pup onhandig is zie je dat aan dat hij slipt of van verhogingen afvalt, of anderszins snel uit balans is. Een pup moet hard werken om op een goede manier te leren bewegen en in balans te blijven. Pups zijn hierdoor snel moe. Als je ziet dat je pup iets onhandiger wordt dan normaal, dan is het vaak beter om de activiteit te stoppen en op een later tijdstip verder te gaan. Bied nieuwe dingen kort aan, 5 a 10 minuten kennis maken met een nieuwe situatie is voor een jonge pup vaak al genoeg. Mocht je echt graag een lange wandeling maken, kan je gebruik maken van een wandelwagen of fietskar. De energie van je pup, en de tijd die hij met nieuwe dingen bezig is voordat hij moe is, kan per uur of dag verschillen, afhankelijk van het karakter van je pup en hoe spannend de situatie is. Kijk dus altijd goed naar hoe je pup erbij loopt.Zeker bij de jongste pups komt vaak voor dat ze opeens moe zijn, dus je moet goed opletten wanneer dat moment komt zodat de pup daar niet overheen gaat. Voor meer informatie, lees de kwispel ‘slaap en rust’.


Het lichaam van een pup groeit niet gelijkmatig, maar met horten en stoten, en vaak ook niet tegelijk op alle plekken. Een jonge hond moet daarom elke dag opnieuw wennen aan hoe zijn lichaam in elkaar zit. Dit kan betekenen dat hij sommige bewegingen plotseling minder goed kan uitvoeren, omdat hij simpelweg niet voldoende controle heeft over zijn lichaam. Je ziet op een gegeven moment minder dat de hond zomaar omvalt, maar de onhandigheid neemt nog steeds toe als de hond vermoeid raakt. Het is verstandig te blijven oefenen met verschillende ondergronden,  je kan deze meer gestructureerd aan gaan bieden door ze onderdeel te maken van de wandeling. Je zal zien dat ook als de hond in de puberteit is, hij nog snel moe kan worden, maar het is vaak iets moeilijker te zien dan bij pups. Door goed naar de signalen van de pup te kijken weet je waarschijnlijk hoe moeheid er bij jouw hond uitziet, en ben je er meer bedacht op als de pup wat groter is.
Na de 7e maand wordt de groei in hoogte afgesloten, en zien de honden er vaak wat slungelig uit.Tussen de 6 en 9 maanden gebeurt er veel meer in de hersenen van de hond dan in zijn lijf. Toch blijft het voor een puber hond wennen aan zijn lijf.


Spierkracht en uithoudingsvermogen beginnen pas vanaf de 9e maand te ontwikkelen. Als je met de hond wilt sporten, is het dus niet verstandig om dit voor die tijd te beginnen. Het is verstandig om een pup kennis te laten maken met fietsen, zwemmen en traplopen, zodat hij het niet eng gaat vinden. Maar het blijft bij kennismaken, bied dit telkens kort aan en niet al te vaak, bijvoorbeeld niet meer dan een keer per week. Je kunt bijvoorbeeld de pup aanleren een paar stappen te volgen en dit dan naast de fiets oefenen, ook kun je de pup een paar slagen laten zwemmen, of een paar tredes trap te lopen. Wacht het liefste tot de hond één of anderhalf jaar is voordat je intensief met hem gaat fietsen of sporten. Traplopen kunnen ze eerder, als de trede lager is dan de elleboog, en zolang dit met rust en aandacht gebeurt, bij voorkeur aan de lijn. Let wel op dat de hond niet al te vaak traploopt, omdat het net als bij ons veel energie kost en door zijn onhandigheid een jonge hond makkelijk kan uitglijden of vallen. Ook tussen de 6e en 9e maand blijft het verstandig om verschillende ondergronden aan te bieden, zodat je hond zijn veranderende lijf steeds opnieuw leert kennen. In deze fase worden ook geslachtshormonen actief bij de hond. Deze beïnvloeden de groei, en bij teven ook de loopsheid. De eerste loopsheid kan op zich laten wachten tot de hond 2 jaar is zonder dat dit abnormaal is.

Tot 3 a 4 jaar is de hond nog puber. In die tijd ‘zwaart hij uit’, wat betekent dat hij breder en gespierder zal worden. Door de invloed van testosteron is dit bij reuen opvallender dan bij teven, maar ook teven zwaren uit.

 

(Over)belasting

Wij mensen onderschatten heel vaak wat we van onze honden vragen. Wij vragen vaak meer atletische aanleg en gedrag van onze honden dan van onszelf. Alleen al een normale wandeling is voor de hond veel intensiever dan voor ons, zeker als hij losloopt. De hond loopt namelijk dan weer voor en dan weer achter ons, dus zijn wandeling was makkelijk  (meer dan) dubbel zo ver. Voor een gezonde en geoefende hond hoeft dit uiteraard geen probleem te zijn. Maar bij een pup of puber moet beweging opgebouwd worden, en gekeken worden naar wat de hond op dat moment aankan, zowel fysiek als mentaal.
Als we kijken naar honden zonder baas, zoals straathonden, zien we dat honden eigenlijk best wel lui zijn. Ze bedelen of scharrelen tussen het afval, en gaan niet echt op jacht. De hoeveelheid beweging die een huishond nodig heeft zal heel erg verschillen. Een uur per dag, verdeeld over 3 à 4 wandelingen, is het basisniveau. Veel honden(rassen), zeker werkhonden of grotere honden, zullen echter meer nodig hebben. Zeer kleine honden of honden met een fysieke beperking kunnen soms met minder toe. Uiteraard raken honden ook gewend aan een bepaald bewegingsniveau, net zoals wij zelf gewend raken aan hoeveel we sporten. De honden die lang gaan wandelen zullen een betere conditie opbouwen. Of de hond zich schikt in de hoeveelheid die jij graag wilt wandelen ligt aan zijn karakter en fysieke gesteldheid. Bij veel honden(rassen) moet de beweging die ze krijgen worden aangevuld met voldoende mentale uitdaging. Als een hond veel te veel energie heeft, denk dan eerder aan het bieden van meer mentale uitdaging dan aan meer fysieke beweging. Met extra wandelingen zal je hond meer spieren opbouwen, waardoor het probleem na enige tijd weer terug zal komen.

Hoe natuurlijker de beweging van de hond, hoe lager de belasting. Aan zichzelf overgelaten zal een hond voornamelijk stappen en rustig draven, zonder al te veel scherpe bochten. Als hij op een spoor is, zal hij misschien harder gaan draven en korter gaan wenden, en als hij een prooi ziet kan hij ook gaan galopperen. Als je dit bewegingspatroon vergelijkt met wat wij van honden vragen bij hondensport, zie je dat sport dus best hard werken is! Als je wilt sporten, probeer de sport dan in ieder geval één keertje zelf, dus even over de flyball hordes heen of springen naar de frisbee, dan krijg je een idee wat je van je hond vraagt. Naast snel bewegen is het springen en kort draaien ook erg belastend, vooral voor jonge honden. Dit geeft namelijk schokken op de gewrichten, iets wat voor een hond in de groei niet goed is. Bij grote sprongen kunnen ook volwassen honden bezeerd raken, omdat ze de klap van het landen met de voetjes opvangen, want ze hebben aan de voorkant geen knieën die meebuigen. Mocht je de hond een speeltje willen laten terugbrengen, zoek dan in ieder geval een speeltje uit dat niet stuitert, zodat de hond geen rare sprongen maakt. Ook kun je de hond aanleren om pas op jouw teken de bal op te halen, zodat je het teken kan geven als de bal tot stilstand is gekomen. Als je dit in hoog gras of op ongelijk terrein doet, is dit meteen ook een zoekspel dat je hond mentaal uitdaagt! Werpstokken zijn in geen geval aan te bevelen, de kans op blessures is bij het gebruik van een werpstok simpelweg te groot.

Blessures

Het is helaas soms lastig om bij honden blessures te constateren. Honden willen zó graag spelen of wandelen, dat ze door zullen gaan bij kleine pijntjes, en pas opgeven als de pijn zo erg is dat het echt niet leuk meer is. Jij als eigenaar moet dus heel goed opletten of een hond nog even makkelijk beweegt als altijd. Ook regelmatig de hond masseren en goed voelen of de bespiering rechts en links hetzelfde is, en of er geen hele harde of zachte, warme of juist koude plekken zijn, kunnen helpen bij het constateren van blessures. Gedrag kan ook een aanwijzing zijn, als een volwassen hond binnen korte tijd steeds chagrijniger wordt, kan dit te maken hebben met zijn lichamelijke gesteldheid. Let wel op dat lelijk gedrag bij pubers ook het gevolg kan zijn van hun levensfase en niet van een blessure, zij zijn gedrag aan het oefenen.

Een van de meest voorkomende manieren om een blessure te ontdekken is het zien van ‘kreupelheid’: de hond ontlast een van zijn poten. Dit kan bijvoorbeeld komen door een breuk of verrekking. Bij pups is kreupelheid eigenlijk altijd aanleiding voor een dierenartsbezoek. De kreupelheid kan simpelweg groeipijn zijn, maar het kan ook  een teken zijn van een groeistoornis of neurologisch probleem, en hierbij is het zaak om dit zo snel mogelijk te constateren. Ook als een pup veel slomer is dan je zou verwachten bij zijn ras en leeftijd is het verstandig om de dierenarts te raadplegen, want dit kan een teken zijn van hart- of longproblemen. Dit advies geldt overigens ook als een pup of volwassen hond plotseling slomer wordt dan hij hiervoor was. Iets anders om op te letten is hoe de hond gaat liggen of weer opstaat, soms zie je dat dit geleidelijk of juist plotseling heel moeizaam gaat. Dit kan onder andere wijzen op een geblesseerde spier, wervelproblemen of een kruisband blessure. Ook is het zaak te letten op ‘ouderdomsverschijnselen’ zoals stijfheid. Bij honden die doorgaans tussen de 12 en 15 jaar worden, is het te vroeg als ze met 7 of 8 jaar stijf worden, ook al worden ze officieel als ‘senior’ aangeduid. Voor volwassen honden geldt dat als een kreupelheid of moeite met opstaan na een dag rust opgelost is, dit een tijdelijke overbelasting kan zijn geweest. Als het vaker voorkomt of lang aanhoudt is een dierenartsbezoek aan te raden.

Voorkomen van blessures is mogelijk door beweging op te bouwen en de hond zich goed bewust te maken van zijn lichaam. Het opbouwen van beweging bij jonge honden of voor sport, werkt hetzelfde als het trainen van mensen voor een sport, gelijkmatig en met voldoende rust. Als je hond gaat sporten, of het nu een georganiseerde sport is zoals behendigheid of een stuk hardlopen in het bos , ook voor honden geldt dat een ‘warming up’ verstandig is. Je kan de spieren opwarmen door enige tijd te wandelen, te masseren, of een aantal oefeningen te doen waarbij de hond zich uitstrekt en buigt. Over het algemeen geldt dat als je de hond op de ene dag zwaar belast, dat het verstandig is het de volgende dag rustiger aan te doen.


De hond heeft minder kans op blessures als hij zijn lichaam goed kent. De meeste honden hebben van nature geen ‘four wheel drive’, ze zijn zich bewust waar de neus is, en enigszins waar de voorpoten zijn, maar de achterhand beweegt daar ‘automatisch’ achteraan.  Hoe meer de hond zich bewust is van waar hij zijn poten zet, hoe kleiner de kans op blessures. Cursussen ‘balans en coördinatie’ zijn er speciaal op gericht om je hond meer bewust te maken van zijn lichaam, en kunnen helpen om je hond handiger te maken. Ook leer je meer over het lichaam van je hond, en natuurlijk is het hartstikke gezellig om in zo’n cursus leuk met je hond bezig te zijn!

 

 

 

Informatie in deze kwispel is onder andere afkomstig uit deze beweegrichtlijn: https://www.marcelnijland.nl/hond/bewegingsrichtlijn-voor-pups/